Koud hè! / foto: Dave Haas via Pexels

Column: Gelukkig is het bijna winter

De winter. Vre-se-lijk. Ik voel mij slachtoffer van het leven als ik ’s nachts met ijspegels aan m’n tepels naar de badkamer loop, om daar ijsblokjes te piesen. Voordat ik mijn ijsblokjes heb doorgetrokken ben ik zo klaarwakker van de kou, dat ik eerst een half uur wakker lig voordat ik weer kan slapen. Vervolgens gaat een paar uur later mijn kind of mijn wekker veel te vroeg af en ik haat opstaan in het donker. Geef mij maar het geluid van irritant opgewekte vogels en een ochtendzonnetje.

De hele ochtend, behalve tijdens het douchen, is het koud. Mijn man is zo een echte Hollander en ‘we gaan dus niet voor de kat z’n kut het hele huis naar 23 graden opstoken’, aangezien we allebei moeten werken. Het welzijn van mijn – ehm … – flamoes doet er blijkbaar ook niet toe. Zij en de rest van mij moet het met 19 en als we mazzel hebben 20 kille graden doen. 
Na het hele ochtendritueel is het buiten nog steeds donker en als ik geluk heb regent het, vriest het, waait het en/of valt er sneeuw. Ga dan maar eens energiek en vrolijk die grafkou in om te werken. Depressieve bladerloze takkezooi.

Ik bid stilletjes dat mijn opvliegers zich straks ook in de winter aandienen.

Daar sta ik dan in mijn vormeloze winterjas, in die afgrijselijke Australische sneeuwschoenen, met gevoelloze tengels die auto te krabben. Maar het wordt pas echt duidelijk hoe afschuwelijk de winter is als die auto het begeeft. Dan zit ik opeens in mijn thermo-ondergoed, met m’n dikste winterjas, handschoenen, sjaal en muts op de fiets. En dat is nog 10 keer erger dan het krabben van de auto. Na 5 minuten fietsen door een sneeuwstorm, beginnen m’n voorhoofd en m’n nek te jeuken. Dat is mijn inspannings- in combinatie met warmtezweet. Dus uiteindelijk kom ik natgesneeuwd met het zweet tussen m’n tetten aan op kantoor en begint een heerlijke werkdag met schatten van collega’s van wie een gedeelte zich in de overgang bevindt. Dus dat kantoor moet luchten, anders bezwijkt een van de dames aan een opvlieger. Terwijl ik vastvries aan mijn stoel en mijn handen en voeten zich omvormen tot ijsklompjes, bid ik stilletjes dat mijn opvliegers zich straks ook in de winter aandienen.

Aan het eind van de werkdag, waarin ik onderkoeld ben door de open ramen, of bezweet ben van het heen en weer rennen in mijn thermo-ondergoed, loop ik de deur weer uit. Diezelfde grafkou als vanmorgen in. En het is nog steeds (o nee, alweer) donker en nat.

’s Avonds kan ik het niet opbrengen om te sporten. Het is gewoon te deprimerend. Als het na een avond nutteloos bankhangen onder een dekentje bedtijd is, veroorzaak ik een echtelijke ruzie doordat ik mijn elektrische deken heb aangezet en mijn man dus het bed uitdrijft. Als ik de elektrische deken vergeet aan te zetten is het trouwens ook niet goed, omdat ik dan wanhopig probeer de ijsklompjes aan het eind van mijn enkels te ontdooien op zijn rug.

Wat een negatief jankverhaal he? En dat terwijl het nu zomer is.

Maar Jezus mensen wat is het bloedverziekend heet. Gelukkig is het bijna winter…

Geschreven door
Meer door Naomi Albrecht

Column: Ouderschapslessen #1 – Hoe breng je je kind níet naar bed

Onze peuter is sinds een paar dagen een nieuwe manier van grenzen...
Lees meer